Snoek
| Latijn: | Esox lucius |
| Orde: | Salmoniformes |
| Familie: | Esocidae |
| Max. lengte: | 1.40 m (wijfje) en 85 cm (mannetje) |
| Gem. lengte: | 60 cm |
| Max. gewicht: | 20 kg (wijfje) |
Kenmerken:
De snoek heeft een slank, torpedovormig lichaam. De kop is vrij groot met een afgeplatte bek
waarin zich op de tong en de beenderen van de mondholte vele kleine vangtanden bevinden. De grotere
vangtanden bevinden zich op het dekbeen van de onderkaak.
De kleur varieert van bronsgroen naar lichtere kleuren groen. Dit heeft te maken met de
helderheid van het water en andere factoren die de lichtinval beïnvloeden(bijv. bomenrij).
Verspreiding:
Omdat de snoek een echte zichtjager is, geeft deze de voorkeur aan helder water. Vaak
wordt beweerd dat Esox vaste standplaatsen heeft. Dit is ten dele waar. Hij houdt van dekking
en bescherming, vaak zijn snoeken dus te vinden bij bruggetjes, overhangende bomen/struiken,
plantenbedden, randen van taluden, onder steigers of woonboten enzovoort. De snoek is echter ook
afhankelijk van z'n voedsel. Vooral in de winter trekken grote scholen witvis samen en dus zal
de snoek zn vaste standplaats moeten verlaten om op die manier toch een maaltje vis naar binnen
te kunnen werken.
Voedsel:
De snoek is een echte jager. Op het menu staan hoofdzakelijk voorn en blei/brasem. Afhankelijk
van het type aasvis dat in een water veel voorkomt, kan de snoek zich ook daarop toespitsen.
Succesvol wordt er bijvoorbeeld ook gevist met baars. Zelfs soortgenoten zijn niet veilig
voor de snoek en kannibalisme komt regelmatig voor.